Hoe ga je te werk:

Je kiest eerst een onderwerp.

  1. Je gaat jezelf een aantal vragen stellen over het onderwerp.
  2. Die vragen worden de verschillende hoofdstukken.
  3. Daarna ga je informatie opzoeken, je kunt daarvoor boeken, tijdschriften, internet gebruiken. De informatie die je vindt ga je lezen en daarna in je eigen woorden opschrijven. (Dus geen tekst kopiëren en geen woorden gebruiken die je niet kent!)

Voorbeeld: je kiest als onderwerp ‘de olifant’ Je stelt jezelf de vragen: “Waar leven olifanten?”. ”Wat eten olifanten?”, ”Hoe oud kunnen olifanten worden?” “Hebben ze vijanden?” etc. Over deze onderwerpen ga je informatie zoeken en met die informatie ga je je werkstuk schrijven.

Het werkstuk is als volgt ingedeeld.

Voorpagina ( met de titel, jouw naam en klas)

  • Inhoudsopgave (hierin schrijf je welk hoofdstuk op welke bladzijde staat)
  • Inleiding (Hierin schrijf je waarom je het onderwerp gekozen hebt en of je er al iets vanaf weet)
  • Hoofdstukken ( met behulp van de vragen die je van tevoren gemaakt hebt)
  • Afsluiting (hierin vertel je hoe je het vond het werkstuk te maken en wat je ervan geleerd hebt)
  • Bronvermelding (hierin schrijf je welke boeken, welke tijdschriften en internetpagina’s je gebruikt hebt). Dit mag je ook in de afsluiting zetten.

 

Gebruik een duidelijk lettertype, maar maak de letters niet te groot. Kies bijv. voor Arial 11.

Natuurlijk mag je ook plaatjes in je werkstuk zetten, maar let er op dat de tekst het belangrijkst blijft!

 

Veel succes!